Sitemap | Zoeken | Contact  | English - Engels  

  • Eudyptula
  • Dwergpinguïn
Witvleugelige dwergpinguïn
© Elizabeth Burtt
- De Griekse genus-naam Eudyptula betekent "goeie kleine duiker".

- Hoewel sommige biologen de witvleugelige dwergpinguïn als aparte soort rekenen, beschouwt het merendeel deze toch eerder als ondersoort van de gewone dwergpinguïn.

- De soort wordt beschouwd als de meest primitieve op de evolutieschaal en doet een beetje denken aan hun voorouders, de stormvogeltjes en papagaaiduikers.
Vergelijkbaar met de Spheniscus soorten nestelen ze in holen als bescherming tegen de zon en vijanden.

- Deze groep heeft een uniek dag-ritme want ze zijn nacht-actief aan land. Ze trekken naar zee in de vroege dageraad en komen pas terug bij avondschemering om hun jongen te voeden en verzorgen.
Mogelijke verklaringen hiervoor zijn:
  • om de warmte overdag te vermijden, want ze zijn wel goed beschermd tegen het koude water, maar minder goed tegen warmte.
  • afwezigheid van nachtelijke landroofdieren
  • omdat bij schemering hun prooi dichter bij het wateroppervlak zwemt en ze dan minder diep moeten duiken vooraleer terug aan land te komen.
- Omdat ze niet enkel op eilanden maar vooral op het vasteland broeden, zijn ze niet overal geliefd. Soms zullen ze in een bloembed graven of hun nest maken onder (vooral houten) huizen. Tijdens de balts houden ze de bewoners wakker (nacht-actief aan land) door hun lawaai of gevechten, en bij het voeden van de kuikens blijven er wel eens visrestanten liggen, met stank tot gevolg. Ook een ziek of gestorven dier onder een huis kan veel stank en overlast bezorgen.

- De groep hoort bij de pinguïns uit de warme streken, d.w.z. dat ze leven in gematigde oceanen.

Dwergpinguïn - Eudyptula minor

Specifieke kenmerken:    geluid/stem (mp3)

Kleinste pinguïnsoort met blauw-grijze rug, flippers en kop en een witte voorkant.
Zes ondersoorten worden erkend, afhankelijk van hun habitat en uiterlijk, maar meestal worden ze gesplitst in twee groepen: de gewone dwergpinguïn en de witvleugelige dwergpinguïn. De witvleugelige is herkenbaar aan witte streep aan vleugelrand en lichtere kleur.
Het zijn standvogels, d.w.z. dat ze dagelijks terug aan land komen en dichtbij het broedterrein blijven. Ook paren blijven dikwijls het hele jaar door samen.

Dwergpinguïn
Grootte en gewicht:

Dwergpinguïns meten 30 à 40 cm.
Ze wegen ongeveer 1 kg met gedurende het jaar schommelingen van 200 gr. Er is een klein verschil meetbaar tussen de geslachten: de bek van het mannetje is iets dikker en langer dan bij het vrouwtje. Ook is hij iets zwaarder dan het vrouwtje.

Naamgeving:

De dwergpinguïn werd voor het eerst beschreven door Reinhold Forster in 1781 die de Latijnse naam "Aptenodytes minor" gebruikte. In 1856 werd door Bonaparte dan de wetenschappelijke naam "Eudyptula minor" ingevoerd.
Er bestaan in het Engels verschillende namen voor de dwergpinguïn : gaande van "little blue penguin", "fairy penguin" tot "blue penguin".
De Maori naam is "Korora" en de Aborigines noemen ze "Choolia", "indala" of "munuwar".

In andere talen:
    Dwergpinguïn Witvleugelige
Engels: little of Kororaa penguin whiteflippered little penguin
Duits: Zwergpinguin Weissflügel-pinguin
Frans: manchot pygmée of
petit manchot bleu
manchot à ailerons blancs
Spaans: pingüino azul o enano pingüino enano de alas blancas
Afrikaans: Dwergpikkewyne Witvlerkpikkewyn
Portugees: Pinguim-azul Pinguim-azul-do-norte

Broedplaatsen:

Dwergpinguïns broeden op de kust van Zuid-Australië en Tasmanië evenals in Nieuw-Zeeland en op verschillende sub-Antarctische eilanden ten zuiden van Nieuw-Zeeland.
De totale broedpopulatie is onbekend maar wordt geschat op minder dan 500.000 paren.
Status: niet in gevaar.
Op de kaart duiden de verschillende kleurige plekken op de volgende ondersoorten:
- geel: de witvleugelige dwergpinguïn (E. m. albosignata) op de Banks Peninsula;
- lichtblauw : op de zuidkust van Australië (o.a. Phillip Island) en Tasmanië broedt de gewone dwergpinguïn (E. m. novaehollandiae);
- bruin : Chatman eilanden ten oosten van Nieuw-Zeeland : Chatham Islands dwergpinguïn (E. m. chathamensis).
- de overige drie zijn E. m. minor (roze vlek ten zuiden van Nieuw-Zeeland) ; E. m. variabilis in donkerblauw in het zuiden van Noord-eiland van NZ; en E. m. iredalei in purper rond noordelijk deel van het Noord-eiland van Nieuw-Zeeland.

Broedgedrag:
dwergpinguïn
Dwergpinguïns graven (0,5 m) diepe konijnachtige holen voor hun nesten. Voor de stabiliteit kiezen ze bij voorkeur een plek onder graspollen. Hoewel geen echte kolonie gevormd wordt, verblijven ze dikwijls wel in elkaars buurt.
Afhankelijk van de broedplaats, begint het broedseizoen al in maart of eind april-mei. De legperiode is lang en heel variabel, tussen juni en oktober met een piek in september. In goede jaren kan het zelfs zijn dat er 2 keer per jaar een nest wordt grootgebracht. Normaal worden twee (soms zelfs 3) eieren gelegd en meestal ook beide uitgebroed. Uitbroeden gebeurt afwisselend (shifts van 1 à 3 dagen) door beide ouders en duurt 33 tot 39 dagen. Als ze uitkomen hebben de kuikens een grijs-bruin dons, dat al na een week wordt vervangen door een chocoladebruin dons op de rug en een lichtgrijs dons op de buik. Kuikens worden gedurende een 30-tal dagen bewaakt door één ouderdeel, terwijl de andere voedsel haalt. Crèches zijn er wel, maar in heel kleine groepjes van hooguit 6 kuikens. De jongen ruien tot hun volwassen verenkleed en verlaten het nest in maart als ze 50 tot 65 dagen (8 weken) oud zijn. Jongen worden ´s nachts gevoed (nachtdier!). Dwergpinguïns zijn trouw voor het leven en keren jaarlijks naar het oude nest terug. Hoewel standvogels verblijven sommige broedparen van april tot augustus meestal in het nabije water of baltsen aan land. De volwassen dieren ruien na het broedseizoen.
De jonge dieren worden geslachtsrijp na 3 jaar en keren dan terug naar hun kolonie.

Voedsel:


Dwergpinguïns eten voornamelijk vis en inktvisjes, afhankelijk van wat er toevallig rondzwemt in hun gebied en het seizoen. Soms staat er ook krill op het menu. De visjes zijn vooral ansjovis en pilchards van maximum 5 cm.
Ze jagen meestal alleen of in kleine groepjes op een diepte tussen 0 en 30 m onder het wateroppervlak.

Vijanden:
Omdat dwergpinguïns vooral op het vasteland leven, hebben ze te maken met vele vijanden. De mens (zeevaarders en bewoners) heeft er verschillende dieren ingevoerd die er oorspronkelijk niet thuishoren. Zo worden er regelmatig volwassen vogels gedood door honden of katten; kuikens bedreigd en gedood door marterachtigen zoals wezels en fretten en ook de eieren worden belaagd door ingevoerde ratten en marterachtigen.
Ook door het verkeer worden regelmatig dieren overreden.
Bovendien zijn er ook vele natuurlijke vijanden die dwergpinguïns en hun kuikens bedreigen. De skua's en andere meeuwen, weka's, slangen en Tasmaanse duivels pikken eieren of kuikens uit het nest. Op zee worden volwassen en tienervogels tot prooi van zeeleeuwen, pelsrobben, haaien en orca's. En hoewel barracuda's geen pinguïns eten, kunnen ze hen wel dodelijk verwonden.
© Pinguins info  |   2000-2015