Sitemap | Zoeken | Contact  | English - Engels  

  • Spheniscus
  • Afrikaanse
  • Humboldt
  • Magelhaen
  • Galapagos

Spheniscus

De latijnse naam "Sphenisciformes" (Orde waartoe alle pinguïnsoorten behoren) werd afgeleid van de pinguïns die als eerste ooit beschreven werden in de literatuur, nl de afrikaanse (Spheniscus demersus), de Zuidamerikaanse magelhaen- (Spheniscus magellanicus) en de Humboldtpinguïns (Spheniscus humboldtii). Zij zijn, naar mening van zoölogen, namelijk de typische vertegenwoordigers van de orde Pinguïns.
Het woord "Spheniscus" stamt uit het Grieks en betekent "wigvormig". Het slaat terug op de vorm van de vleugels en het lichaam van de pinguïns.
Ze werden allemaal in het Engels ook wel eens jackass (ezels) penguins genoemd, omdat ze balken als een ezel tijdens het baltsen.

Alle Spheniscuspinguïns hebben een omgekeerde zwarte band over hun buik en een uniek patroon van zwarte vlekken. Dit patroon is voor elke vogel verschillend, vergelijkbaar met onze vingerafdruk. Hun poten zijn niet roze of oranje zoals bij de Pygoscelis en Eudyptes soorten, of zwart zoals bij de Aptenodytes, maar een mengeling van zwart en roze.

Het zijn holenbroeders, wat niet onlogisch is, want ze leven tamelijk noordelijk en hebben dus bescherming nodig tegen de zon. Ook de kale, roze vlek boven of onder hun bek heeft tot doel om warmte te kunnen afvoeren. Is het dan nog te warm, gaan ze hijgen als een hond. Ook heeft hun lichaam minder veren en een dunnere vetlaag, alles om de warmte-afgifte te bevorderen.
Kenmerkend voor het feit dat ze holenbroeders zijn is ook hun manier van lopen: ze lopen tamelijk voorovergebogen met hun vleugels naar voor. (vergelijkbaar met de dwergpinguïn, die ook een holenbroeder is).

Een hol wordt gegraven met hun bek en poten. Eerst hapt de vogel brokken aarde en gooit die achter zich weg. Dan veegt hij met zijn poten die losse aarde verder weg en graaft verder met zijn bek. In korte tijd heeft hij zo een holte, die uiteindelijk wel 2 meter lang en 1 meter diep kan worden, met achterin een broedkamer.

Ze behoren bij de pinguïns uit de warme streken, dat wil zeggen dat ze leven in gematigde en tropische oceanen.

Afrikaanse pinguïn - Spheniscus demersus
Ook bekend als jackass of zwartvoetpinguïn

Afrikaanse pinguïn
Specifieke kenmerken:    geluid/stem (mp3)

Afrikaanse pinguïns hebben een brede zwarte band die in de vorm van een omgekeerde paardevoet over hun buik loopt. Hun borst is bedekt met een paar zwarte, willekeurig verspreide plekken. Ze lijken op Humboldt pinguïns, alleen zijn die zwaarder, hebben langere flippers en een smallere witte band op hun kop. ( zie ook kenmerk-verschil). Hun staart is kort. Ze hebben een brede witte band op hun kop en een kale roze vlek boven hun bek en ogen, waarlangs ze overtollige warmte kunnen afgeven. Hun poten zijn roze en zwart.


Grootte en gewicht:

Afrikaanse pinguïns zijn ongeveer 65 cm groot.
Hun gewicht varieert gedurende het jaar van 2,5 tot 4 kg.


Naamgeving:
Pas onlangs is de naam Afrikaanse pinguïn algemeen aanvaard. De oudere namen, zoals zwartvoet- of ezels- of kaappinguïns zijn niet aan te bevelen. Afrikaanse pinguïns hebben geen compleet zwarte voeten, alle spheniscus soorten werden ooit wel eens ezelspinguins genoemd en ze worden niet enkel rond de Kaap teruggevonden.
Linnaeus vermeldde in 1758 twee soorten in zijn Systema Naturae: nl. de afrikaanse pinguïn (door hem 'Diomedea demersa' genoemd) en de rotsspringer (door hem 'Eudyptes crestatus' genoemd).
De soortnaam demersus is Latijn en betekent "onder water".

In andere talen:
  • Engels: African of blackfooted of jackass penguin
  • Duits: Brillenpinguin
  • Frans: manchot du Cap, manchot moyen of manchot du Cap de Bonne-Espérance
  • Spaans: pingüino de El Cabo of africano o de anteojos
  • Afrikaans: Brilpikkewyn of Afrikapikkewyn
  • Portugees: Pinguim-africano
Broedplaatsen:
Ze broeden op de kust van Zuid-Afrika, Namibië en op naburige eilanden. Ze blijven het ganse jaar door op de broedplaats. Vooral bedreigd door olievervuiling. De totale populatie telt ongeveer 58 600 paren.

Status: kwetsbaar, populatie tendens dalend, (IUCN Red List 2008)

Broedgedrag:
pinguïn
Afrikaanse pinguïns zijn standvogels en blijven het ganse jaar door in de buurt van hun broedplaats. Nesten worden in zandholen, tussen gras en struiken of onder rotsen gebouwd, beschermd tegen de zon en dichtbij de kust en het water. Vroeger werden holen in de guano (hun mest van vorige generaties) uitgegraven, maar omdat de mens vele lagen heeft afgebouwd, is hiervan nog maar weinig over. Nu graven ze hun holen voornamelijk in het zand (met instortingsgevaar) of broeden zelfs in openlucht, met gevaar voor oververhitting en uitdrogingsgevaar. En omdat ook mensen een voorkeur hebben voor zonovergoten kusten en baaien, moeten de pinguïns vaak wijken naar meer afgelegen plekken. Toch bestaat er in Simonstown (Kaapstad) sinds jaren een kolonie die midden in bewoond gebied ligt en intussen als beschermd reservaat en een toeristische trekpleister is omgebouwd.
Omdat ze het hele jaar door bij de broedplaats verblijven, kunnen ze ook het hele jaar door broeden. Er bestaan hierbij twee pieken, afhankelijk van de plaats: in Zuid-Afrika worden de meeste eieren gelegd in maart-april, en aan de westkust in Namibië valt die piek in november-december. In goede jaren worden er 2 eieren gelegd en ook 2 jongen grootgebracht. Broedtijd duurt 38 tot 41 dagen, waarbij beide ouders afwisselend shifts van 1 tot 3 dagen waarnemen. De kuikens worden 40 dagen gevoed en bewaakt door beide volwassenen. Na 70 tot 100 dagen ruien ze en verlaten het nest om naar zee te trekken.

Voedsel:

Ze eten overwegend vis, aangevuld met enkele schaaldieren. Ze jagen dicht onder het water-oppervlak. Omdat ansjovis en sardines ook door commerciëel wordt gevangen, zijn ze soms verplicht om verder weg te jagen en dit vormt dan ook een bedreiging voor hun overleven.

Vijanden:
Omdat afrikaanse pinguïns, buiten op Robben, Dassen en naburige eilanden, ook op het vasteland leven, is er een hele rij van roofdieren die gevaarlijk kunnen zijn voor hen. Wilde honden en struinende katten zullen volwassen dieren doden en zelfs een luipaard durft dit doen. De kuikens worden geroofd door meeuwen en ook door die katten en honden. De eieren zijn bedreigd door ibissen, ratten en slangen. In het water zijn vooral haaien en pelsrobben gevaarlijk, en ook een orca zal een volwassen dier vangen.

En als men dan de invloed van de mens mee in beschouwing neemt, is het een wonder dat er nog afrikaanse pinguïns zijn. Vroeger werden eieren massaal geraapt en gegeten door de mens, waardoor de populatie enorm achteruitging. Overbevissing van ansjovis, sardines en andere vissen dwingt pinguïns om verder weg te gaan jagen zodat de kuikens later te eten krijgen, met alle gevolgen vandien.
Zelfs het verkeer vormt een bedreiging en men vindt er verkeersborden met overstekende pinguïns op.
En iedereen herinnert zich nog wel de grootste reddingsactie voor vogels die ooit werd uitgevoerd. Toen in juni 2000 voor de kust van Zuid-Afrika de Treasure zonk werd een vierde van de populatie afrikaanse pinguïns erdoor getroffen. En dit was zeker niet de eerste en ook niet laatste olieramp die een rampzalige invloed heeft op zeevogels. Vooral de zuidelijke punt van Afrika en ook Zuid-Amerika zijn druk bevaren routes voor olietankers.

Humboldtpinguïns - Spheniscus humboldti

Specifieke kenmerken:    geluid/stem (mp3)
Humboldtpinguïns hebben een brede zwarte band in de vorm van een omgekeerde paardehoef over hun borst. Hun borst is bedekt met enkele zwarte vlekjes, in een voor elke pinguïn uniek patroon.
Ze lijken op de afrikaanse pinguïn wat de zwarte band betreft. De belangrijkste verschillen: Humboldts zijn iets kleiner, hebben verhoudingsgewijs langere vleugels en een smallere witte band op hun kop. De kale roze vlek ligt bij hen onder hun bek, terwijl die bij de afrikaanse aan de bovenkant ligt.
Humboldtpinguïns lijken qua bouw en grootte ook op de magelhaenpinguïns, maar die hebben een tweede zwarte band over hun keel en de roze vlek van de magelhaen is veel keiner en enkel boven hun bek. (zie verschillen)
De kuikens van de humboldts zijn minder zwart, en hebben nog geen typerend zwarte band en vlekken.

Grootte en gewicht:

Humboldtpinguïns zijn ongeveer 60 cm groot.
Hun gewicht varieert gedurende het jaar van 3 tot 5 kg.


Naamgeving:
Meyen benoemde de humboldtpinguïn in 1834.
De Humboldt-pinguïn werd genoemd naar de Duitse natuurwetenschapper Alexander von Humboldt, die in 1799 Zuid-Amerika bezocht.
Humboldtpinguïns worden soms ook peruviaanse pinguïns genoemd, wat af te raden is, omdat ze ook in Chili voorkomen.

In andere talen:
  • Engels: humboldt penguin of peruvian penguin
  • Duits: Humboldtpinguin
  • Frans: manchot de Humboldt
  • Spaans: pingüino de Humboldt of Pajaro Niño
  • Afrikaans: Humboldtpikkewyn
  • Portugees: Pinguim-de-humboldt
  • Araukaans (indianenvolk in Chili en Argentinië): Petranca
Broedplaatsen:
Humboldtpinguïns broeden op de westkust van Zuid-Amerika (Peru en Chili) en op de kusteilanden tot noordelijk bijna aan de evenaar. Ze profiteren van de koude Humboldtstroom. Ze blijven het ganse jaar door in de buurt van hun nestplaats (standvogels).
De totale broedpopulatie wordt op minder dan 10.000 paren geschat.

Status: kwetsbaar, met populatie tendens dalend, (IUCN Red List 2008)

Broedgedrag:
humboldtpinguïn
Ze nestelen in holen die ze uitgraven in het zand of in de mest (zogenaamde "Guano", maar die is grotendeels afgebouwd door de mens) van de voorgaande generaties. Ze zoeken beschutting onder rotsen en struiken, in groepen van 10 tot honderden paren. Ze delen hun kolonie vaak met broedende humboldt-aalscholvers, peruviaanse pelikanen of Humboldtgenten.
humboldtpinguin (100 K)
Ze kunnen gedurende het ganse jaar broeden, maar het succes wordt mede bepaald door de watertemperatuur en het fenomeen El Niño.
Er bestaan twee pieken in het jaar waar de meeste eieren gelegd worden: half april-mei en in midden september-oktober. Meestal worden er twee eieren gelegd, die gedurende 40 dagen afwisselend worden uitgebroed. In goede jaren worden ook beide kuikens grootgebracht. De kuikens zijn volwassen na 10-12 weken. Als alle omstandigheden (weer, voedselbestand e.d.) gunstig zijn kunnen ze zelfs 2 keer per jaar broeden, maar dit gebeurt eerder zelden. Het gebeurt vooral als de eerste broedpoging mislukt, dat er een tweede keer eieren worden gelegd en een nest wordt verzorgd.
De ruiperiode voor de volwassen dieren valt in februari-maart, en de mannetjes van een paar doen dit meestal eerder dan de vrouwtjes, met een verschil van 10 dagen. Ook de kuikens en niet-broedende paren ruien voor de andere volwassen vogels.

Voedsel:

Humboldtpinguïns eten meestal kleine visjes zoals ansjovis en sardines. Ze jagen in groepen en niet zo diep onder het water-oppervlak (tot 30 m).

Vijanden:
De eieren en kuikens worden vooral belaagd door wilde honden en vossen en door meeuwen. Ook de caracara kan gevaarlijk zijn voor eieren, vooral als de humboldt in open terrein een nest heeft.
In het water worden volwassen dieren voornamelijk gedood door zeeleeuwen, pelsrobben en haaien.
Maar dit is eerder een normale natuurlijke selectie. Daar tegenover staat de nefaste rol die de mens speelde bij het overleven van de humboldtpinguïns, die daardoor ook schuw geworden zijn.
Door de massale afbouw van guano door de mens (vooral in de 19de eeuw) wordt hun bestaan bedreigd, omdat ze hun nestplaatsen verloren, die vroeger gegraven werden in die guano. Overbevissing van ansjovis, sardines en andere vissen dwingt pinguïns om verder weg te gaan jagen zodat de kuikens later te eten krijgen, met alle gevolgen vandien.

Magelhaenpinguïn - Spheniscus magellanicus

Specifieke kenmerken:
magelhaenpinguïn
Magelhaenpinguïns hebben een brede zwarte band onder hun kin, en een tweede die in de vorm van een omgekeerde paardehoef over hun buik loopt. Hun borst is bedekt met een voor elke pinguïn uniek patroon van zwarte vlekken.
Hoewel dit bandpatroon sterk gelijkt op dat van de galapagos pinguïns, zijn er toch enkele verschillen : magelhaenpinguïns zijn beduidend groter/zwaarder dan de galapagos, en de witte band over de wangen is veel smaller (vager) bij de galapagospinguïns. De kale roze vlek ligt boven de bek en het oog, in tegenstelling tot de galapagos waar die zich onder de bek bevindt.
Ze lijken qua grootte en kop ook op de afrikaanse pinguïn, maar ze zijn iets zwaarder en meer gedrongen. Bovendien hebben magelhaenpinguïns een tweede zwarte band.

magelhaen pinguin
Op de Falklands delen ze hun strand soms met de ezelspinguïns, en dan valt het verschil in houding goed op. Magelhaenpinguïns staan veel meer voorovergebogen (kenmerkend voor holenbroeders) dan de rechtopstaande ezelspinguïns. Magelhaenpinguïns kan men ook zien lopen op vleugels en poten, terwijl de ezelpinguïns eerder rechtop lopen.


Grootte en gewicht:

Ze zijn ongeveer 65 cm groot.
Hun gewicht varieert gedurende het jaar van 4 tot 7 kg.

Naamgeving:
Ferdinand Magellan gaf zijn naam aan de magelhaenpinguïn, toen hij tussen 1519 en 1522 als eerste Europeaan (en waarschijnlijk ook als eerste mens) de wereld rond zeilde. De Italiaan Antonio Pigafetta die Magellan vergezelde op die zeiltocht en zijn belevenissen opschreef, was de eerste die deze pinguïnsoort beschreef in december 1519. Ze beschouwden de vogels enkel als niet-vliegende ganzen en een lekkere, gemakkelijk te vangen aanvulling van hun menu.
De magelhaenpinguïn wordt in het Engels soms ook jackass(=ezels) pinguïn genoemd op de Falklands eilanden, wat veel verwarring kan stichten omdat ook de afrikaanse dikwijls zo genoemd wordt in het Engels, en bij ons in het Nederlands de ezelspinguïn eigenlijk de Engelse gentoo is.
Magelhaenpinguïn: voor het eerst vermeld door Sonnerat in 1776, later ook door Forster in 1781 die ze Aptenodytes magellanicus noemde.

In andere talen:
  • Engels: magellanic penguin of jackass penguin (Falklands)
  • Duits: Magellanpinguin
  • Frans: manchot de Magellan
  • Spaans: pingüino de Magallánes o patagónico, pajaro Niño of pajaro manco
  • Afrikaans: Magellaanse Pikkewyn
  • Portugees: Pinguim-de-magalhães
  • Vuurlands (Fuegian): choncha
Broedplaatsen:
Magelhaenpinguïns broeden op de oostelijke en zuidelijke kusten van Zuid-Amerika (Chili en Argentinië), op de kusteilanden en op de Falklands. Grootste kolonies zijn die in Punta Tombo (Argentinië) en op de Falklands.
De totale populatie wordt geschat op 1,3 miljoen paren.

Status: bijna in gevaar, populatie tendens dalend, 2008 IUCN

Broedgedrag:
broedcyclus magelhaenpinguïn
Ze nestelen gewoonlijk onder struiken of in holen, dankbaar gebruik makend van de voorhanden vegetatie. Ze zijn zo bedreven in het verstoppen van hun nesten, dat je midden in een kolonie kan staan zonder het te merken.
Tussen mei en augustus zijn de kolonies verlaten en de pinguïns op zee. Ze migreren (trekvogels) tijdens de winterperiode naar het noorden tot in zuidelijk Brazilië en Peru.
magelhaen pinguin
© Daniel Park
In september komen ze terug aan land om te broeden. Er worden in oktober twee eieren gelegd en in goede jaren worden beide kuikens ook grootgebracht.
De broedtijd duurt 39 tot 42 dagen en wordt gelijk verdeeld onder de twee ouders in lange shifts van 10 tot 15 dagen. Na het uitkomen van de eieren worden de kuikens ongeveer 29 dagen om de twee à drie dagen gevoed en door beide ouders afwisselend bewaakt. Nadien worden ze alleen gelaten en gaan beide ouders op zee voedsel zoeken.
De kuikens zijn volgroeid na 60 à 70 dagen (10-12 weken), ruien tot hun jeugdkleed en verlaten het nest in februari. Aansluitend ruien ook de volwassen vogels in maart en trekken naar zee, tot ze in augusutus-september terugkomen voor een nieuw broedseizoen. Ze zijn heel trouw aan hun nestplaats en komen jaar voor jaar terug naar dezelfde plek, zodat ook paren zich steeds weer vinden.

Voedsel:

Magelhaenpinguïns eten een mengsel van inktvisjes en kleine visjes. Hoewel ze tot ruim 90 meter diep kunnen duiken, jagen ze meestal op een diepte rond de 30 meter onder de zeespiegel.

Vijanden:
Hoewel zeeleeuwen pinguïns niet opeten, jagen ze er wel op en spelen ermee, zodat regelmatig vogels gewond worden en sterven. Vooral reuzenstormvogels en skua's profiteren van dit gedrag. Ook haaien en pelsrobben zijn vijanden voor de magelhaenpinguïns in het water. De eieren en kuikens worden door meeuwen en caracara's geroofd en zelfs een gordeldier durft zich te vergrijpen aan een ei. Waar de nesten gelegen zijn tussen het hoge tussock(beemd) gras, zijn de eieren en kuikens meer beschermd tegen bedreigingen van bovenuit.

Galápagospinguïn - Spheniscus mendiculus

Specifieke kenmerken:
pinguïn
Galápagospinguïns hebben een smalle witte band die loopt vanaf het oog en breder wordt tot onder de kin en een zwarte band, in de vorm van een omgekeerde paardehoef over hun voorkant.
Alhoewel het patroon van de banden heel erg lijkt op die van de magelhaenpinguïn bestaan er toch enkele duidelijke verschillen. Magelhaenpinguïns zijn beduidend groter en hun tweede zwarte band vooraan in de nek is veel duidelijker dan bij de Galápagospinguïns.
De kale roze vlek ligt onder de bek (zoals bij de humboldt). Galápagospinguïns leven praktisch op de evenaar, maar door de koude Humboldtstroming is het water toch koel (15°C), waardoor deze vogels toch de nodige afkoeling kunnen vinden. Ze zijn overdag dan ook zelden aan land te vinden.

Grootte en gewicht:

Galápagospinguïns zijn 40 à 45 cm groot.
Hun gewicht variëert gedurende het jaar van 1,6 tot 2,5 kg.

Naamgeving:

De Galápagospinguïn werd voor het eerst vermeld door Sundevall in 1871.

De soortnaam "mendiculus" betekent "kleine bedelaar" en slaat waarschijnlijk terug op hun onzekere manier van lopen en hun lengte.

In andere talen:
  • Engels: Galápagos penguin
  • Duits: Galapagospinguin
  • Frans: manchot des Galápagos
  • Spaans: pingüino de los Galápagos
  • Afrikaans: Galápagospikkewyn
  • Portugees: Pinguim-das-galápagos
Broedplaatsen:
Galápagospinguïns broeden op de Galápagos eilanden (Fernandina en Isabela) op en juist noordelijk van de evenaar!
De broedpopulatie wordt op minder dan 800 paren geschat. Omdat deze soort dringend beschermd moet worden, worden de juiste lokaties van hun nestplaatsen zoveel mogelijk geheim gehouden.

Status: BEDREIGD, IUCN Red List 2008

Broedgedrag:

broedcyclus galapagospinguïn Ze broeden in holen die ze uitgraven in het zand of in spleten tussen de rotsen.
Het zijn, evenals de humboldtpinguïns, schuwe vogels en ze zijn aan land vooral nacht-actief. Overdag vertonen ze zich zelden en zijn meestal op zee.
Ze kunnen het ganse jaar broeden (standvogels) en kuikens grootbrengen omdat er een constante landtemperatuur heerst op de eilanden. Hun broedcyclus hangt daarom af van de temperatuur van het water en de stromingen, die deze temperatuur bepalen. Als het water het koudst (< 22°C) is, is er het meeste van hun voedsel aanwezig en zullen ze succesvol kunnen kuikens grootbrengen. Meestal worden er twee eieren gelegd, waarvan er regelmatig maar één kuiken overleeft.
De broedtijd van 38 tot 40 dagen wordt gelijk verdeeld onder de twee ouders.
Galapagos pinguins
© Elizabeth Burtt
Kuikens worden na het uitkomen ongeveer 30 dagen afwisselend door de volwassenen bewaakt en gevoed. Nadien blijven de kuikens onbewaakt achter terwijl beide ouders voedsel gaan zoeken.
Ze ruien tot hun jeugdkleed en trekken naar zee op een leeftijd van 60 tot 65 dagen.
In tegenstelling tot de andere soorten, zullen volwassen galápagospinguïns ruien vóór of tijdens het broeden en niet erna. Dit ruien duurt ongeveer 10 tot 15 dagen en gebeurt tweemaal per jaar, evenals het broedseizoen zelf.

Voedsel:

Galápagospinguïns eten waarschijnlijk voornamelijk vis, zoals sardines en ansjovis, maar er bestaan nog geen gedetailleerde studies over. Ze jagen in groepen de scholen visjes op en blijven daarbij maar kort onder water.

Vijanden:
De Galápagos eilanden hebben een rijke fauna en de pinguïns hebben dan ook vele vijanden. Krabben en slangen roven eieren en soms ook kuikens uit het nest, haviken, meeuwen en uilen stelen ook eieren en kuikens. Wilde honden en katten zullen kuikens en zelfs volwassen dieren aanvallen. In het water zwemmen haaien, orca's, zeeleeuwen en pelsrobben en zij allen zullen een pinguïn niet versmaden.
© Pinguins info  |   2000-2015